Hoge Raad 2008-05-13 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 13 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8231, zaaknummer 07/11754 CW. Cassatie in het belang der wet. Kernvraag — Biedt de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden ruimte voor een generieke uitzondering op DNA-afname bij minderjarige veroordeelden, gebaseerd op een afweging van de persoonlijke belangen van de veroordeelde tegen het maatschappelijk belang, mede gelet op art. 40 IVRK? Feiten — Een vijftienjarige meisje werd veroordeeld wegens mishandeling (art. 300 Sr) na een handgemeen met begeleiders van de inrichting waar zij verbleef. De officier van justitie gaf op grond van art. 2 lid 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bevel tot afname van celmateriaal. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de veroordeelde gegrond en gelastte vernietiging van het celmateriaal, omdat onverkorte toepassing van de wet op minderjarigen wegens het stigmatiserend effect niet zonder meer verenigbaar was met art. 40 IVRK en de persoonlijke belangen van de veroordeelde zwaarder wogen. Oordeel hof — Niet van toepassing (beschikking van de rechtbank). Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 4.3 voorop dat tekst, doel en strekking van de wet als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in art. 2 lid 1 celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is daartoe verplicht, tenzij een van de limitatieve uitzonderingen van het eerste lid van toepassing is. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de wet geen plaats; de wet maakt geen onder…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken