Hoge Raad 2008-06-20 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, zaaknummer C06/187HR, cassatie (principaal en incidenteel). Kernvraag — Geldt de hoge drempel van art. 2:9 BW (ernstig verwijt) ook bij aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een individuele aandeelhouder? Voorts: kan een nieuwe stelling die de oorspronkelijk eiser bij pleidooi in hoger beroep voor het eerst naar voren brengt, door de rechter buiten beschouwing worden gelaten als tardieve grief? Feiten — NOM heeft voor in totaal f 4 miljoen geparticipeerd in en geld uitgeleend aan Holding. De statuten en de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst bepaalden dat een besluit tot aanvraag van surséance van betaling vooraf goedkeuring van de AVA behoefde; NOM had daarin krachtens art. 10.3 van de overeenkomst een vetorecht. Op 21 mei 2002 heeft Beheer, zonder de AVA te raadplegen, surséance van betaling voor Holding aangevraagd, alsmede het faillissement van zes werkmaatschappijen. De surséance werd op 22 mei 2002 ingetrokken; tegelijkertijd werd Holding failliet verklaard. NOM heeft Beheer en haar bestuurder [eiser 2] aansprakelijk gesteld. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat art. 2:9 BW niet van overeenkomstige toepassing is op de verhouding tussen een bestuurder en een individuele aandeelhouder. Nu de statutaire norm specifiek strekte ter bescherming van NOM als minderheidsaandeelhouder, bracht schending van die norm in beginsel aansprakelijkheid mee; een persoonlijk verwijt aan [eiser 2] en Beheer…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken