ECLI:NL:HR:2007:BB3733

Hoge Raad 2007-11-23 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733, zaaknummer C05/323HR, cassatie. Kernvraag — Mocht het hof zijn eindbeslissing dat de verkoopster de koper opzettelijk had misleid in stand laten, nadat de verkoopster de stelling waarop die eindbeslissing berustte had verlaten? Voorts: gelden de klachtplichtbepalingen van art. 6:89 BW en art. 7:23 BW ook bij een vordering uit onrechtmatige daad, en dient de rechter bij de beoordeling van non-conformiteit ex art. 7:17 BW alle relevante omstandigheden, waaronder door de verkoper gedane mededelingen, in aanmerking te nemen? Feiten — Eiseres heeft in januari 1994 een perceel met tankstation verkocht en geleverd aan verweerster voor ƒ 1.000.000,--. De transportakte bevatte een exoneratieclausule (art. 2 lid 3) en een garantiebepaling (art. 5), alsmede een opsomming van overhandigde stukken. Na levering bleek sprake van ernstige bodemverontreiniging. Eiseres had in de procedure aanvankelijk gesteld dat bouwverslagen en een saneringsplan van 1993 — waaruit de omvang van de vervuiling bleek — in een door haar echtgenoot aan verweerster overhandigde ordner hadden gezeten. Het hof ontleende aan die stelling het vermoeden dat de echtgenoot (wiens kennis aan eiseres wordt toegerekend) kennis had gehad van die stukken en daarmee van de verontreiniging, en verbond daaraan de eindbeslissing dat eiseres verweerster, behoudens tegenbewijs, opzettelijk had misleid. Nadat de zaak was teruggewezen naar de rechtbank en eise…