Hoge Raad 2007-10-23 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, zaaknummer 03368/06, cassatie. Kernvraag — Zijn feiten en omstandigheden die het hof in een nadere bewijsoverweging ten grondslag legt aan de verwerping van een bewijsverweer (Meer en Vaart-verweer) aan te merken als redengevende feiten, en zo ja, voldoet de motivering aan de eisen van voldoende nauwkeurigheid? Voorts lag de vraag voor of de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden. Feiten — Verdachte werd op 11 april 2005 op Schiphol aangehouden nadat bij een bagagecontrole van een vlucht uit Paramaribo in een rolkoffer met een bagagelabel op haar naam 8842,7 gram cocaïne werd aangetroffen. De douaneambtenaar had de verdachte korte tijd eerder met die rolkoffer zien lopen en haar naar de scanstraat verwezen. Het hof veroordeelde verdachte tot 42 maanden gevangenisstraf. De verdachte stelde in haar verweer dat de rolkoffer haar niet toebehoorde en dat sprake was van een zogeheten 'jatlabel'. Oordeel hof — Het hof verwierp het bewijsverweer en achtte bewezen dat verdachte de rolkoffer had ingecheckt, mede op grond van de getuigenverklaring van de douaneambtenaar, de omstandigheid dat een toevallige samenloop uiterst onwaarschijnlijk was, de afwezigheid van dubbele plaksporen op het bagagelabel, en de vergelijking tussen het op het bagagelabel vermelde totaalgewicht van 22 kilo voor twee stuks bagage en verdachtes eigen schatting van het gewicht van haar sporttas op circa 11 kilo. Overweginge…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken