ECLI:NL:HR:2006:AX0985

Hoge Raad 2006-05-12 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985, zaaknummer 42.449, cassatie. Kernvraag — Kan de rechter een proceskosten­veroordeling in beroep achterwege laten op de enkele grond dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende zelf? Feiten — Aan belanghebbende (X B.V.) zijn voor 1998 en 1999 navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd, terwijl zowel de Inspecteur als belanghebbende wist dat belanghebbende in die jaren deel uitmaakte van een fiscale eenheid. De Inspecteur handhaafde de aanslagen na bezwaar. Het Hof veroordeelde de Inspecteur in de bezwaarkosten wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid (art. 7:15 lid 2 Awb), maar liet de beroepskosten voor rekening van belanghebbende omdat zij het bestaan van de fiscale eenheid niet in bezwaar naar voren had gebracht en daarmee zichzelf in de positie had gebracht dat beroep instellen nog de enige optie was. Overwegingen — In r.o. 3.2 formuleert de Hoge Raad de toepasselijke maatstaf: Kernoverweging: > Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van b…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken