Hoge Raad 2006-01-27 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, zaaknummer 39.872, cassatie. Kernvraag — Kan een belastinginspecteur bij het opleggen van ambtshalve aanslagen (na het niet doen van de vereiste aangifte) volstaan met een schatting van inkomen en vermogen die uitsluitend is onderbouwd met de omstandigheid dat ieder gegeven over winst en omzet buiten het zicht van de Inspecteur en de autoriteiten is gebleven? Feiten — Aan belanghebbende zijn aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1994 en 1995 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 10.000.000 per jaar, alsmede aanslagen vermogensbelasting voor 1995 en 1996 naar een vermogen van respectievelijk ƒ 10.000.000 en ƒ 20.000.000. De Inspecteur baseerde de schatting op een strafrechtelijk onderzoek (het D-onderzoek), de verdenking dat belanghebbende leiding had gegeven aan dan wel had deelgenomen aan een organisatie gericht op invoer en handel in verdovende middelen (mogelijk ook wapens), en het van algemene bekendheid zijnde feit dat met dergelijke activiteiten grote bedragen zijn gemoeid. Omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, diende de omkering van de bewijslast te worden toegepast. Oordeel hof — Het Hof te Amsterdam oordeelde dat de schatting de redelijkheidstoets kon doorstaan. Het redeneerde daartoe dat in een situatie waarbij een organisatie gericht op winstbehaling zodanig is opgezet dat ieder gegeven over omzet en winst buiten het zicht van de Inspec…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken