Hoge Raad 2003-04-18 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498, zaaknummer 38.122, cassatie. Kernvraag — Of een buitenlandse belastingplichtige in 1996 beschikte over een vaste vertegenwoordiger in Nederland, en of het Hof de bewijslast rechtmatig heeft omgekeerd dan wel zijn oordeel over het begrip "vaste vertegenwoordiger" voldoende heeft gemotiveerd. Feiten — Aan belanghebbende, woonachtig in Canada, is voor 1996 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 3.600.000. De Inspecteur stelde dat belanghebbende een vaste vertegenwoordiger (J) in Nederland had. Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van een vaste vertegenwoordiger rechtvaardigden en de bewijslast was omgekeerd wegens schending van informatieverplichtingen. De Inspecteur had daarbij toegezegd dat louter de weigering van de gemachtigde om de administratie op te sturen niet zou leiden tot omkering van de bewijslast. Oordeel hof — Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat sprake was van omkering van de bewijslast en dat de vastgestelde feiten, elk afzonderlijk en in onderlinge samenhang, het vermoeden rechtvaardigden dat J als vaste vertegenwoordiger van belanghebbende had gefungeerd. Het beroep werd ongegrond verklaard. Overwegingen — De motiveringsklachten tegen het oordeel dat onder de naam CC slechts één onderneming werd gedreven, falen (r.o. 3.1). Dit oordeel berust op feitenwaardering; het Hof wa…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken