Hoge Raad 2003-04-18 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, zaaknummer 37.790, cassatie. Kernvraag — Welke bescheiden zijn toereikend voor het bewijs van een intracommunautaire levering in de zin van post a.6 van Tabel II van de Wet OB, en welke gevolgen moeten in de beroepsfase worden verbonden aan schending van de hoorregels in de bezwaarfase? Feiten — Belanghebbende, een handelaar in hard- en software, verkocht in januari en februari 1999 cpu's aan een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde afnemer (D) en paste het nultarief toe. De goederen werden door een Belgische koeriersdienst (E) bij belanghebbende opgehaald en afgeleverd bij D. Ter onderbouwing beschikte belanghebbende over kopieën van facturen, CMR-vrachtbrieven, pakbonnen met ontvangsthandtekening, bankafschriften en een schriftelijke verklaring van E. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag OB op van ƒ 515.138 omdat hij de bewijslast voor het nultarief niet vervuld achtte. Voorts stelde belanghebbende dat zij in de bezwaarfase niet overeenkomstig de regels was gehoord, en dat bij eerdere boekenonderzoeken de bescheiden betreffende de leveringen aan D waren ingezien zonder dat opmerkingen waren gemaakt. Oordeel hof — Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de overgelegde bescheiden niet deden blijken van vervoer naar een andere lidstaat, mede omdat handels- of ritbescheiden rechtstreeks betrekking hebbend op dat vervoer ontbraken en de handtekeningen op de CMR-vrachtbrieven niet overeenstemden met die…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken