Hoge Raad 2002-10-25 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, zaaknummer 36.898, cassatie. Kernvraag — Kon het Hof aan een door hem gevormd bewijsvermoeden ten nadele van belanghebbende de conclusie verbinden dat de bewijslast was omgekeerd op grond van art. 29 lid 2 AWR, zonder belanghebbende eerst in de gelegenheid te stellen dat vermoeden te ontzenuwen? Feiten — Aan belanghebbende is een aanslag IB/PVV 1995 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 93.001. In geschil was of bepaalde bedragen — waaronder ten name van C gerestitueerde bedragen en loon van A B.V. — tot zijn inkomen moesten worden gerekend. Het Hof Arnhem leidde uit een reeks feiten en verklaringen een vermoeden af dat de correcties van de Inspecteur juist waren, oordeelde dat belanghebbende dit vermoeden niet had ontzenuwd, en concludeerde vervolgens tot omkering van de bewijslast wegens het niet verantwoorden van een substantieel deel van de inkomsten. Ter zitting had belanghebbende verklaard dat hij zich anders had verweerd indien hij had geweten dat de bewijslast op hem rustte. Oordeel hof — Het Hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur. Het paste de omgekeerde bewijslast toe op grond van art. 29 lid 2 AWR en oordeelde dat niet was gebleken van onjuistheid van de aanslag ten aanzien van het geschatte loon van A B.V. (ƒ 15.746) en de gerestitueerde omzetbelasting ten name van B Ltd. (ƒ 4.735). Overwegingen — De klacht over schending van art. 6 EVRM is verworpen via art. 81 RO (r.o. 3.1). De…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken