Hoge Raad 2000-11-29 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610, zaaknummer 35797, cassatie. Kernvraag — Moet de WOZ-waarde van een woning worden bepaald aan de hand van de in de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ voorgeschreven vergelijkingsmethoden, of kan de waarde ook op andere wijze worden vastgesteld? En geldt als uitgangspunt dat de kort na de peildatum door de belastingplichtige betaalde koopsom de WOZ-waarde weergeeft? Feiten — Het College van B&W van Maassluis stelde de WOZ-waarde van de woning a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vast op ƒ 202.000. Belanghebbende had de woning op 1 augustus 1995 — kort na de peildatum 1 januari 1995 — gekocht voor ƒ 182.500, bij een onder zakelijke omstandigheden en tussen onafhankelijke partijen totstandgekomen koopovereenkomst. Het Hof 's-Gravenhage vernietigde de uitspraak op bezwaar en stelde de waarde vast op ƒ 182.500, daarbij oordelend dat de koopsom de in het maatschappelijk verkeer totstandgekomen waarde weerspiegelt en dat de door de Inspecteur overgelegde taxatie op basis van vergelijkingsverkopen daarvoor moest wijken. Oordeel hof — Het Hof verwierp de stelling van de Inspecteur dat uitsluitend de vergelijkingsmethoden van art. 4 van de Uitvoeringsregeling zijn toegestaan en tot een juiste waardebepaling kunnen leiden. Het Hof achtte de door belanghebbende betaalde koopsom bepalend en stelde de waarde vast op ƒ 182.500. Overwegingen — In r.o. 3.3 overwe…