Hoge Raad 1989-12-13 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, zaaknummer 25.077, cassatie. Kernvraag — Kan een advocaat die naast zijn werkzaamheden voor een advocatenkantoor (tegen een vaste maandelijkse vergoeding) ook zogenoemde eigen zaken behandelt, voor die eigen zaken aangemerkt worden als ondernemer die winst uit onderneming geniet in de zin van art. 6 Wet IB 1964? En: kan de belastingplichtige rechtsbeschermd vertrouwen ontlenen aan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een reeks van jaren de aangifte op dit punt heeft gevolgd? Feiten — Belanghebbende is sedert 1966 als advocaat verbonden aan een advocatenmaatschap. Voor kantoorzaken ontvangt hij een vaste maandvergoeding (f 5.000,-) en loopt hij geen debiteurenrisico. Naast die kantoorzaken behandelt hij eigen zaken, waarbij hij gebruik maakt van de faciliteiten van het kantoor tegen afdracht van 1/3 van het geïnde honorarium; declaraties lopen via het kantoor, zij het met vermelding van zijn naam. De eigen zaken vertegenwoordigden minder dan 14% van zijn totale advocaatinkomsten en vergden 15 tot 20% van zijn werktijd. Belanghebbende deed aangifte waarbij hij winst uit onderneming en zelfstandigenaftrek (f 2.200,-) claimde; de inspecteur weigerde de zelfstandigenaftrek. Oordeel hof — Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de inkomsten uit de eigen zaken geen winst uit onderneming vormen, op grond van de geringe omvang daarvan (zowel qua inkomsten als tijdsbeslag) in verhouding tot de…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken