Centrale Raad van Beroep 2024-12-10 — Bestuursrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Instantie en datum — Centrale Raad van Beroep, 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192, zaaknummer 23/713 PW, hoger beroep. Kernvraag — Zijn de herziening en terugvordering van bijstand terecht opgelegd omdat appellante niet heeft gemeld dat bedragen op haar bankrekening zijn bijgeschreven en gestort? En had het college op grond van het evenredigheidsbeginsel, al dan niet via de dringende-redenenbepaling van art. 58 lid 8 PW, (gedeeltelijk) van terugvordering moeten afzien? Feiten — Appellante ontving vanaf 5 februari 2020 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Uit een heronderzoek in maart 2021 bleek dat in de periode 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 diverse bedragen op haar bankrekening waren bijgeschreven door betalingen via het pinapparaat van haar onderneming en dat contante stortingen hadden plaatsgevonden. Appellante verklaarde dat de bijschrijvingen inkomsten van haar zoon waren en de stortingen betrekking hadden op leningen of eerder opgenomen gelden. Het college herzag de bijstand over die periode en vorderde € 3.657,92 terug, welk bedrag na brutering werd verhoogd tot € 5.513,92. Overwegingen — De Raad beoordeelt achtereenvolgens de middelen, de schending van de inlichtingenverplichting, het beroep op Europees recht en het evenredigheidsbeginsel. Bijschrijvingen en stortingen (r.o. 4.2–4.4.2): Bedragen die contant worden gestort of door derden worden overgemaakt naar de bankrekening van een bijstandsontvanger worden in beginsel aangemerkt als midde…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken