ECLI:NL:CRVB:2024:726

Centrale Raad van Beroep 2024-04-18 — Bestuursrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Centrale Raad van Beroep, 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726, zaaknummer 21/2685 WAJONG-T, tussenuitspraak in hoger beroep. Kernvraag — Moet bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering van een Wajong-uitkering af te zien, ook rekening worden gehouden met de oorzaak van de herziening/terugvordering (waaronder eigen fouten of stilzitten van het Uwv), en dient daarbij tevens het evenredigheidsbeginsel te worden toegepast? Feiten — Appellant ontvangt sinds 11 juni 2013 een Wajong-uitkering. Bij controle is gebleken dat hij in de periode 1 augustus 2016 tot en met 20 april 2017 heeft gestudeerd en studiefinanciering ontving, en in de periode 1 februari 2019 tot en met 30 juni 2019 inkomsten uit arbeid had, zonder dat dit tot aanpassing van zijn uitkering had geleid. Het Uwv heeft de uitkering met terugwerkende kracht herzien en € 14.403,66 bruto teruggevorderd. Appellant verwijt het Uwv dat het zijn eigen aandeel in de situatie — onder meer het niet intern doorgeven van informatie door de afdeling Werkbedrijf aan de afdeling Uitkering — ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling van de dringende reden. Het Uwv heeft afgezien van een boete vanwege dit eigen stilzitten, maar heeft de terugvordering gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Overwegingen — De Raad constateert dat het dwingende systeem van de Wet BMTI en de tot dusver restrictief ui…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken