Centrale Raad van Beroep 2015-05-07 — Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Instantie en datum — Centrale Raad van Beroep, 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450, zaaknummer 13/1081 WWB, hoger beroep. Kernvraag — Of het college bevoegd was de bijstand van appellant in te trekken en de gemaakte kosten terug te vorderen, nu appellant contante kasstortingen niet heeft gemeld en niet heeft aangetoond in welke periodes hij in het buitenland verbleef. Feiten — Appellant ontving vanaf 2 mei 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de WWB. Naar aanleiding van signalen over vermoedelijk verblijf buiten Almere en contante stortingen op zijn bankrekeningen heeft de sociale recherche onderzoek gedaan. Uit dat onderzoek bleek dat in de periode van 7 juli 2006 tot en met 8 juli 2011 op drie van appellants vier bankrekeningen contante kasstortingen plaatsvonden tot een totaalbedrag van € 37.410,05. Voorts bleek uit het uitgavenpatroon en vier gevonden vliegtickets dat appellant meermaals buiten Nederland had verbleven zonder dit (volledig) bij het college te melden. Het college trok de bijstand per 7 juli 2006 in en vorderde € 68.057,37 terug. Overwegingen — In r.o. 4.2 stelt de Raad dat het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling rechtvaardigt dat het daarop staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken; dit geldt ook voor een "en/of"-rekening. In r.o. 4.3 herhaalt de Raad zijn vaste lijn dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankreke…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken