ECLI:NL:RVS:2019:1694

Raad van State 2019-05-29 — Bestuursrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, zaaknummer 201802496/1/A1, hoger beroep. Kernvraag — Onder welke voorwaarden kan een burger in het omgevingsrecht met succes een beroep doen op het vertrouwensbeginsel, en slaagt dat beroep in dit geval, waarin mondeling door ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht toezeggingen zijn gedaan over het achterwege laten van handhaving tegen een zonder vergunning gerealiseerd dakterras? Feiten — De rechtsvoorgangers van [wederpartij] realiseerden in 1990 een dakterras met opbouw op een Amsterdamse woning, na mondeling contact met een inspecteur van Bouw- en Woningtoezicht die aangaf niet te weten of een vergunning vereist was, maar groen licht gaf voor de aanleg en toezegde een interne memo op te stellen. In 1993 en later in 1999/2000 en 2006 verklaarden gemeenteambtenaren dat tegen oude dakterrassen niet handhavend zou worden opgetreden. [wederpartij] kocht de woning in 2014. Naar aanleiding van een klacht over lekkage constateerde de gemeente in 2016 dat het dakterras zonder vergunning was gerealiseerd en legde een last onder dwangsom op. In 2017 werd voor het grootste deel van het dakterras alsnog een omgevingsvergunning verleend; het resterende geschil betrof het hekwerk op de dakrand. Overwegingen — De Afdeling formuleert in r.o. 11 een drietrapstoets voor de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht, uitgewerkt naar aanleiding van de c…