ECLI:NL:RBDHA:2026:14894

Rechtbank Den Haag 2026-05-27 — Civiel recht; Verbintenissenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Rechtbank Den Haag, 27 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14894, zaaknummer C/09/694719 / HA ZA 25-1019, eerste aanleg enkelvoudig. Kernvraag — Dient de door kopers verbeurde contractuele boete wegens verlate afname van een woning (art. 11.3 koopovereenkomst) te worden gematigd op grond van art. 6:94 lid 1 BW, en zo ja, tot welk bedrag? Feiten — Verkoper ([gedaagde]) en kopers ([eisers]) sloten op 25 april 2025 een koopovereenkomst voor € 550.000, zonder financieringsvoorbehoud, met leveringsdatum 19 juni 2025 en een bankgarantie/waarborgsom van € 55.000. Kopers konden de financiering niet tijdig ronden en stelden verkoper daar pas op 18 juni 2025 van op de hoogte. Verkoper stelde kopers bij brief van 19 juni 2025 in gebreke. Levering vond uiteindelijk plaats op 25 juli 2025. Kopers betaalden onder protest een boete van € 44.550 (de per-dag-boete van 3‰ van de koopsom met een contractueel maximum van 10%, waarvan partijen naderhand overeenkwamen dat het juiste bedrag € 44.550 bedroeg). Kopers vorderen terugbetaling van het volledige boetebedrag, primair gematigd tot nihil. Overwegingen — De rechtbank stelt voorop (r.o. 4.2) dat matiging op grond van art. 6:94 lid 1 BW slechts aan de orde is als toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat leidt, waarbij gelet wordt op de verhouding tussen werkelijke schade en boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het i…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken