Hoge Raad 2007-04-27 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638, zaaknummer C05/268HR, cassatie. Kernvraag — Wanneer mag een rechter een contractuele boete matigen op grond van art. 6:94 BW, en meer in het bijzonder: is de enkele wanverhouding tussen de verbeurde boete en de werkelijke schade daarvoor een toereikende grond? Daarnaast speelt de vraag of Intrahof door de inhoud van haar brief van 19 juli 2001 haar aanspraak op de boete van art. 10.5 voor een bepaalde periode heeft verspeeld. Feiten — Intrahof verhuurde aan Bart Smit bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW. De huurovereenkomst kende twee boeteregelingen: art. 10.5 (ƒ 1.000,-- per dag bij nalaten na sommatie) en art. 14.2 van de Algemene bepalingen (2% per maand over het achterstallige bedrag). Bart Smit staakte per juli 2001 de huurbetaling na een geschil over gebreken en een verlangde huurverlaging. Intrahof sommeerde bij brief van 19 juli 2001, waarbij zij uitvoerig art. 14.2 aanhaalde en slechts verwees naar art. 10.5 zonder de inhoud of het woord "boete" te noemen. Bij brief van 24 oktober 2001 maakte Intrahof alsnog expliciet aanspraak op de dagboete van art. 10.5. Bart Smit betaalde de achterstallige huur vervolgens op de derdenrekening van de advocaat van Intrahof, onder de beperking dat het bedrag daar zou blijven totdat de rechter uitspraak zou doen; de advocaat van Intrahof wees deze betaling af en stortte het bedrag terug. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat Bart Smit door de inhoud van de b…