ECLI:NL:HR:2024:1060

Hoge Raad 2024-07-12 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad (belastingkamer), 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, zaaknummer 23/03218, cassatie. Kernvraag — Wanneer is een overmaking naar de bankrekening van een ander een "betaling" in de zin van art. 6.40 lid 1, letter a, Wet IB 2001, en wanneer een depotstorting? En: is het in onderdeel B2, punt 1, van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht gehanteerde, ongeveer halve, puntbedrag voor de bezwaarfase in belastingzaken verenigbaar met het discriminatieverbod van art. 1 Grondwet? Feiten — Belanghebbende, van Indiase nationaliteit, heeft op 20 februari 2018 — vóór zijn komst naar Nederland — het voor het collegejaar 2018-2019 verschuldigde collegegeld overgemaakt aan de universiteit. Die betaling was een voorwaarde voor zijn studieverblijfsvergunning en moest vóór 1 juli 2018 zijn voldaan. Vanaf 21 augustus 2018 woont hij in Nederland en is hij binnenlandse belastingplichtige. Hij heeft het collegegeld als scholingsuitgave (art. 6.1 lid 2, letter f, Wet IB 2001) in aftrek gebracht; de inspecteur heeft de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek op nihil gesteld omdat de betaling vóór de aanvang van de belastingplicht plaatsvond. De Rechtbank Den Haag (sprongcassatie) oordeelde dat de overmaking na de verlening van de verblijfsvergunning het karakter kreeg van een onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) en daarmee van een depotstorting, omdat het collegegeld pas vanaf 1 september 2018 onvoorwaardelijk was verschuldigd; verrekening…