ECLI:NL:HR:2020:2005

Hoge Raad 2020-12-11 — Civiel recht; Verbintenissenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2005, zaaknummer 19/03430, cassatie. Kernvraag — Op welk tijdstip moet worden beoordeeld of een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening als bedoeld in art. 6:127 lid 2 BW heeft, en wat is het gevolg van een verwerping van het verrekeningsverweer door de rechter in eerste aanleg op de voet van art. 6:136 BW voor de werking van de eerder uitgebrachte verrekeningsverklaring? Feiten — [Verweerster 1] verkocht haar cliëntenportefeuille aan Van Noort Gassler bij overeenkomst van 20 november 2013, waarvoor Van Noort Gassler de koopprijs in zestig maandtermijnen diende te voldoen. Vanaf januari 2015 staakte Van Noort Gassler de betalingen. Van Noort Gassler beriep zich op verrekening met een vordering die Adsebu-nieuw aan haar had gecedeerd (akte van cessie 4 februari 2016) en bracht op 22 februari 2016 een verrekeningsverklaring uit. De rechtbank passeerde dit verweer op de voet van art. 6:136 BW. Vervolgens cedeerde Van Noort Gassler diezelfde vordering bij akte van 15 augustus 2016 terug aan Adsebu-nieuw, die haar vordering daarna in een afzonderlijke procedure instelde. Het hof verwierp het beroep op verrekening omdat Van Noort Gassler ten tijde van het arrest niet (langer) de bevoegdheid tot verrekening zou bezitten, mede omdat de verwerping door de rechtbank de werking aan de verrekeningsverklaring zou hebben ontnomen. Oordeel hof — Het hof Amsterdam beoordeelde de verrekeningsbevoegdheid ex nunc, dat wil zeg…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken