Hoge Raad 2015-06-12 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600, zaaknummer 14/02087, cassatie. Kernvraag — Kan een partij die schade heeft geleden door een onrechtmatig gelegd beslag, de kosten van de opheffingsprocedure (advocaatkosten, reis- en verletkosten, gederfde inkomsten, kosten aangetekende brieven) volledig vergoed krijgen op grond van art. 6:96 lid 2 BW, of wordt die vordering uitsluitend beheerst door de regels betreffende proceskosten (art. 237–241 Rv)? Feiten — Rabobank legde conservatoir beslag op het aandeel van [A] in een tot een onverdeelde nalatenschap behorend huis, maar deed dat op onjuiste wijze. Zijn broer [eiser] — mede-erfgenaam — vorderde opheffing van het beslag in kort geding en kreeg gelijk; de voorzieningenrechter sprak een proceskostenveroordeling uit naar het liquidatietarief. In hoger beroep troffen partijen een vaststellingsovereenkomst waarbij de eventuele schade van [eiser] uitdrukkelijk openbleef. In de onderhavige bodemprocedure vorderde [eiser] vervolgens volledige vergoeding van zijn advocaatkosten en overige kosten in de opheffingsprocedure als schadevergoeding op grond van art. 6:96 BW. Oordeel hof — Het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde voor recht dat Rabobank onrechtmatig had gehandeld, maar kende voor de proceskosten slechts het liquidatietarief toe. Het hof overwoog dat er geen wettelijke of jurisprudentiële grondslag bestaat voor integrale vergoeding van advocaatkosten, dat Rabobank niet opzettelijk onjuist beslag had gelegd…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken