ECLI:NL:HR:2014:1405

Hoge Raad 2014-06-13 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, zaaknummer 13/05858, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Moet art. 6:96 lid 6 BW zo worden uitgelegd dat de consument-schuldenaar de genormeerde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten reeds verschuldigd wordt na het verstrijken van de veertiendagentermijn in de aanmaningsbrief, zonder dat de schuldeiser daarna nog nadere incassohandelingen hoeft te verrichten? Feiten — Fa-Med heeft twee gecedeerde vorderingen op [verweerster] van in totaal € 1.201,30 (factuurdata 23 juni en 28 juli 2012). [Verweerster] is na 1 juli 2012 in verzuim geraakt en is vervolgens per brief gemaand met aanzegging van buitengerechtelijke incassokosten van in totaal € 213,49. De facturen zijn onbetaald gebleven. De kantonrechter te Arnhem stelde de prejudiciële vraag of betaling van die kosten verschuldigd is zonder nadere incassohandelingen na verzending van de veertiendagenbrief. Overwegingen — De Hoge Raad schetst in r.o. 3.3 het kader: art. 6:96 leden 5-7 BW is per 1 juli 2012 in werking getreden samen met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Stb. 2012, 141). De regeling normeert de maximale hoogte van de vergoeding forfaitair als percentage van de hoofdsom en is voor consument-schuldenaren dwingendrechtelijk van aard. In r.o. 3.4-3.5 overweegt de Hoge Raad dat de wetgever uitsluitend de 'tweede redelijkheidstoets' (de hoogte van de kosten) heeft willen normeren, niet de 'eerste redelijkheidsto…