ECLI:NL:HR:2013:BY4600

Hoge Raad 2013-02-08 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, zaaknummer 11/05318, cassatie. Kernvraag — Wanneer vangt de klachttermijn van art. 6:89 BW aan voor een particuliere belegger die zijn bank verwijt tekort te zijn geschoten in haar zorgplicht bij een beleggingsadviesrelatie, en welk gewicht komt toe aan het tijdsverloop bij de beoordeling of tijdig is geprotesteerd? Feiten — Eisers belegden van najaar 1997 tot herfst 2002 via Rabobank in aandelen en opties, op basis van een beleggingsadviesrelatie. In die periode leden zij grote verliezen. In het voorjaar van 2001 bleek bij het opmaken van een inbrengverklaring dat eiser de verliezen had gecompenseerd met de opbrengst van verkochte melkquota. In de herfst van 2002 waren de grote verliezen bekend. Bij brief van 29 december 2005 klaagden eisers voor het eerst bij Rabobank. Oordeel hof — Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Het stelde de begindatum van de klachttermijn op eind 2002, het moment waarop eisers bekend waren met de grote verliezen. Nu pas drie jaar later was geprotesteerd, terwijl eisers werden bijgestaan door een adviseur en in die periode geen onderzoek was verricht, oordeelde het hof dat een fors tijdsverloop slechts onder bijzondere omstandigheden niet leidt tot verval van het klachtrecht. Het hof concludeerde dat eisers niet tijdig hadden geklaagd en verwierp de vorderingen op de voet van art. 6:89 BW. Overwegingen De Hoge Raad stelt in r.o. 4.2.1 voorop dat art. 6:89 BW van t…