Hoge Raad 2009-06-30 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, zaaknummer 08/02411 J, cassatie. Kernvraag — Welke consequenties dienen te worden verbonden aan de Salduz-rechtspraak van het EHRM voor het gebruik tot het bewijs van verklaringen afgelegd door een aangehouden verdachte die voorafgaand aan het politieverhoor geen advocaat heeft kunnen raadplegen? Feiten — De verdachte, geboren in 1990, is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld. Hij was als minderjarige aangehouden en door de politie verhoord zonder dat hem voorafgaand aan dat verhoor de gelegenheid was geboden een advocaat te raadplegen. In cassatie voert hij aan dat art. 41 Sv, art. 6 EVRM en art. 40 IVRK zijn geschonden doordat hem niet tijdig een raadsman is toegevoegd. Oordeel hof — Het hof heeft de verdachte veroordeeld. Het cassatiemiddel over de gang van zaken bij het politieverhoor werd door het hof kennelijk niet gehonoreerd; nadere overwegingen van het hof dienaangaande zijn in het arrest niet weergegeven. Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 2.1 voorop dat de zaak de gelegenheid biedt de consequenties te trekken uit het arrest EHRM 27 november 2008, nr. 36391/02 (Salduz tegen Turkije), dat betrekking had op een zeventienjarige verdachte wiens belastende politieverklaringen voor het bewijs waren gebruikt terwijl hij tijdens het verhoor niet van rechtsbijstand was voorzien. Kernoverweging (Salduz-norm): > De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de p…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken