ECLI:NL:HR:2004:AM2533

Hoge Raad 2004-03-30 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, zaaknummer 00281/03, cassatie. Kernvraag — Wanneer en onder welke voorwaarden kan art. 359a Sv worden toegepast, en welke eisen gelden voor de toepassing van strafvermindering, bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkverklaring? Meer concreet: was het lostrekken van een afvoerpijp in een kelder door een opsporingsambtenaar een onbevoegde doorzoeking, en zo ja, welk rechtsgevolg treft de verdachte die die kelder niet gebruikte? Feiten — Op 7 december 1999 kwamen opsporingsambtenaren een woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] binnen. In de kelder troffen zij drugs aan in een openstaande kast. Eén verbalisant trok vervolgens een plastic afvoerpijp los die losjes aan de muur bevestigd bleek en nergens op aangesloten was, en ontdekte daarin en in een bergplaats achter de muur 5.175 gram hasj. De verdachte bewoonde een kamer op de tweede etage en gebruikte de kelder niet. Het hof veroordeelde hem voor medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hasj en marihuana tot vier maanden gevangenisstraf. Het hof verwierp het verweer dat de opsporingsambtenaren hun bevoegdheden hadden overschreden, omdat zij slechts hadden rondgekeken en op basis van uiterlijke verschijningskenmerken nader onderzoek hadden verricht. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat van overschrijding van bevoegdheden geen sprake was, nu de opsporingsambtenaren niet gericht en stelselmatig hadden gezocht maar slechts hadden rondgekeken naar wat in…