Centrale Raad van Beroep 2016-03-15 — Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Instantie en datum — Centrale Raad van Beroep, 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952, zaaknummer 15/6236 WWB, hoger beroep. Kernvraag — Of het college terecht de bijstand van appellante heeft ingetrokken en teruggevorderd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding die zij niet had gemeld, en welke wettelijke grondslag (bevoegdheid dan wel verplichting) voor intrekking en terugvordering geldt na de wetswijzigingen per 1 juli 2013 respectievelijk 1 januari 2013. Feiten — Appellante ontving sinds 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder en stond ingeschreven op het uitkeringsadres. L, die de kinderen van appellante had erkend, stond gedurende de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Naar aanleiding van een anonieme melding stelde het college een onderzoek in, waarbij waarnemingen werden verricht en appellante en L op 17 februari 2014 werden verhoord. Het college trok de bijstand in met ingang van 28 februari 2007 (geboortedatum jongste kind) en vorderde € 90.361,88 aan ten onrechte betaalde bijstand terug, alsmede € 3.066,- aan bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag. Overwegingen — Aangezien L de kinderen van appellante heeft erkend, is voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding uitsluitend vereist dat appellante en L hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden (r.o. 4.3). De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, wordt beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden; afzonderlijke GBA-inschrijvingen…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken