Centrale Raad van Beroep 2012-01-25 — Bestuursrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Instantie en datum — Centrale Raad van Beroep, 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958, zaaknummers 09/1136 WW en 11/3428 WW, hoger beroep. Kernvraag — Of het hoger beroep van UWV ontvankelijk is, en zo nee, wat de gevolgen zijn voor het gedurende het hoger beroep genomen nieuwe besluit op bezwaar. Voorts: per welke datum gaat de wettelijke rente lopen over periodiek te betalen uitkeringen bij een eerste toekenning. Feiten — Betrokkene ontving een WW-uitkering met ingang van 4 juni 2007. UWV stelde het dagloon vast op basis van artikel 13 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen. De rechtbank verklaarde artikel 13 lid 6 van het Dagloonbesluit onverbindend en droeg UWV op een nieuw besluit te nemen. UWV stelde in hoger beroep dat het dagloon wél juist was vastgesteld. Gedurende de hoger beroepsprocedure nam UWV op 26 mei 2011 een nieuw besluit op bezwaar, waarbij het artikel 13 van het Dagloonbesluit niet langer van toepassing achtte en het dagloon vaststelde op € 158,03. Ter zitting erkende UWV dat ook dit bedrag onjuist was wegens een ten onrechte toegepaste urenfactor, en dat het dagloon € 169,26 zou moeten bedragen. Overwegingen — In r.o. 4.2 oordeelt de Raad dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. UWV heeft in het besluit van 26 mei 2011 zelf aangegeven artikel 13 van het Dagloonbesluit niet (langer) toe te passen, zodat het belang bij de vraag of het zesde lid onverbindend is is komen te vervallen. Van voldoende procesbelang is pas sprake indien het resultaat…