Centrale Raad van Beroep 2011-01-04 — Bestuursrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Instantie en datum — Centrale Raad van Beroep, 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399, zaaknummer 07/7188 WWB, hoger beroep. Kernvraag — Kon het College de aanvraag om bijstand ingevolge de WWB afwijzen op de grond dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld, gelet op onduidelijkheid over de financiële positie van appellant, zijn economische activiteiten op het perceel en zijn levensonderhoud in de jaren voorafgaand aan de aanvraag? Feiten — Appellant vroeg op 3 april 2007 bijstand aan. Het College wees de aanvraag af omdat de financiële positie van appellant niet duidelijk was geworden. Appellant was in 2005 failliet verklaard; de curator beschouwde hem bij gebreke van tegenbewijs nog steeds als economisch eigenaar van een perceel waarop standplaatsen werden verhuurd en activiteiten voor de slagerij van zijn zoon plaatsvonden. Appellant stelde slechts toezicht te houden en standplaatsgelden te innen namens zijn zoon, zonder daarvoor zelf inkomsten te ontvangen. Van huurbetaling door appellant aan zijn zoon voor bewoning van het perceel, of vergoeding voor gas, elektra en water, was geen sprake. Overwegingen — De te beoordelen periode loopt van 3 april 2007 tot en met 27 juni 2007 (de datum van het besluit op de aanvraag) (r.o. 4.1). Het bijstandverlenend orgaan is bevoegd ook gegevens te vragen over de financiële situatie in de periode onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraagdatum (r.o. 4.2). Ten aanzien van het economisch eigendom van het perceel oordeelt de Ra…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken