Hoge Raad 2019-12-20 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, zaaknummer 18/04093, cassatie. Kernvraag — Moet voor de kwalificatie van een overeenkomst als pachtovereenkomst worden onderzocht of partijen de intentie hadden een pachtovereenkomst te sluiten, of is uitsluitend beslissend of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van art. 7:311 BW? Daarnaast: kan de contractspartij van een verhuurder/verpachter na het sluiten van de overeenkomst wijzigen, en welke maatstaf geldt daarvoor? Feiten — Verweerder stelde vanaf 2008 op basis van een mondelinge afspraak met eiser enkele percelen weiland ter beschikking voor een jaarlijkse vergoeding van € 4.000,--. De vergoeding werd steeds betaald door [A] N.V., de vennootschap waarvan eiser bestuurder en grootaandeelhouder is en die een paardenfokkerij exploiteert. In 2014 en 2015 legden partijen hun afspraken schriftelijk vast in akten getiteld respectievelijk "Overeenkomst van uitscharing" en "Jaarlijkse overeenkomst van inscharing (begrazing van paarden)". In 2015 sommeerde verweerder eiser de paarden te verwijderen, waarna eiser zich beriep op pacht voor onbepaalde tijd ex art. 7:322 BW. Verweerder vorderde verklaring voor recht dat sprake was van inscharing en geen pacht, en ontruiming. Oordeel hof — Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Het oordeelde dat eiser — niet [A] — de wederpartij van verweerder was, nu niet was gesteld of gebleken dat eiser bij het aan…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken