Hoge Raad 1997-06-03 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, nr. 104.750, cassatie (strafkamer). Kernvraag — In hoeverre levert een niet volledig zorgvuldig uitgevoerde herkenningsconfrontatie onrechtmatige bewijsgaring op, en mag de rechter in de bewijsoverwegingen betrekken dat de verdachte voor een redengevende omstandigheid geen redelijke verklaring heeft gegeven? Feiten — Op 12 oktober 1994 werd op station Hilversum een portemonnee gestolen (diefstal met geweld). Twee personen die de verdachte vasthielden werden daarna met een mes in borst respectievelijk zij gestoken (poging doodslag). Het hof veroordeelde de verdachte tot vijf jaar gevangenisstraf. De verdediging voerde in cassatie aan dat de herkenningsconfrontaties onrechtmatig waren uitgevoerd en dat het hof ten onrechte redengevend had geacht dat de verdachte geen verklaring had gegeven voor een bij zijn aanhouding aangetroffen strippenkaart. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat geen sprake was van onrechtmatige bewijsgaring, ook al voldeden de confrontaties niet aan alle eisen van zorgvuldigheid. Ten aanzien van de fotoseries voor getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 7] stelde het hof dat de serie weliswaar weinig zorgvuldig was samengesteld, maar dat de herkenningen met bijzondere behoedzaamheid moesten worden beoordeeld. De herkenning door [betrokkene 2] uit een zorgvuldig samengestelde serie van twaalf foto's (100% zekerheid, later bevestigd bij de rechter-commissaris) en de herkenning via de spiegelc…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken