Centrale Raad van Beroep 2018-04-05 — Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Instantie en datum — Centrale Raad van Beroep, 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018, zaaknummer 16/4481 WWAJ-T, hoger beroep (tussenuitspraak). Kernvraag — Of het Uwv voldoende heeft onderbouwd dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van appellante zich kunnen ontwikkelen, zodat geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen in de zin van art. 1a:1, vierde lid, van de Wajong 2015. Feiten — Appellante, geboren in 1997 en gediagnosticeerd met onder meer een lichte verstandelijke beperking, PDD-NOS, paniekstoornis en depressiviteit, heeft op 24 februari 2015 een Wajong 2015-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft de aanvraag afgewezen omdat appellante weliswaar op dat moment geen arbeidsvermogen had, maar geacht werd dat te kunnen ontwikkelen. De rechtbank Noord-Holland heeft het beroep ongegrond verklaard. Overwegingen — De Raad schetst eerst het wettelijk kader. Op grond van art. 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, Wajong 2015 is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag van het 18e jaar duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; duurzaam ontbreken betekent ingevolge het vierde lid dat die mogelijkheden zich niet kunnen ontwikkelen (r.o. 4.1.2). Art. 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit somt vier cumulatieve toetscriteria op voor het ontbreken van arbeidsvermogen: geen taak kunnen uitvoeren in een arbeidsorganisatie, niet beschikken over basale werknemersvaardigheden, niet aaneengesloten kunnen werken gedurende ten minste een uur, of…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken