Hoge Raad 2024-12-20 — Civiel recht; Insolventierecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913, zaaknummer 23/05009, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Wat moet worden verstaan onder "de eerste aflossing gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling" in art. 349a lid 1 Fw, en is de rechter bevoegd bij toepassing van het alternatieve aanvangsmoment alleen die periode mee te tellen waarin de schuldenaar een met de Wsnp vergelijkbare inspanningsplicht en aflossingsplicht heeft nageleefd? Feiten — Schuldenaren zijn in 2019 een minnelijk schuldhulpverleningstraject gestart via de gemeente Westland. In september 2022 is de schuldregeling van start gegaan. In de periode september 2019 tot juni 2023 is een bedrag van in totaal € 78.795,13 afgedragen aan een beslaglegger; het voor de boedel beschikbare saldo bedroeg slechts afgerond € 3.596,-. Per 1 augustus 2023 zijn schuldenaren tot de Wsnp toegelaten; de rechtbank bepaalde de ingangsdatum op 1 juli 2023 (één maand vóór het vonnis), omdat het gespaarde bedrag slechts voldoende was voor één maand aflossing en afdrachten onder beslag niet als aflossingen werden meegeteld. In hoger beroep verzochten schuldenaren om volledige terugrekening tot anderhalf jaar vóór de uitspraak, waarop het hof prejudiciële vragen stelde. Overwegingen — De Hoge Raad plaatst de wetswijziging in haar context: bij amendement op het wetsvoorstel tot verbetering van de doorstroom naar de Wsnp (inwerkingtreding 1 juli 2023) is art. 349a lid 1 Fw aangevuld met een alt…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken