ECLI:NL:HR:2014:1496

Hoge Raad 2014-07-01 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, zaaknummer 13/00445, cassatie. Kernvraag — Aan de hand van welke maatstaven dient een verzoek van de verdediging tot het oproepen of horen van getuigen ter terechtzitting te worden beoordeeld, en in welke gevallen kan dat verzoek worden afgewezen? Meer concreet: had het hof het verzoek tot het horen van twee met name genoemde getuigen mogen afwijzen? Feiten — De verdachte is in hoger beroep gegaan tegen zijn veroordeling. Op 20 augustus 2010 gaf zijn raadsman bij appelschriftuur zes getuigen op. Op 8 september 2010 verzocht de raadsman bij brief aan de rechtbank Amsterdam ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen op te roepen; zij zouden kunnen verklaren over wat de verdachte hun direct na het incident had verteld en of hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij bij een schadegeval betrokken was geraakt. Op de terechtzitting van 19 december 2011 wees het hof dit verzoek af, omdat het verhoor van die getuigen naar zijn oordeel niet noodzakelijk was voor enige op de voet van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Op de terechtzitting van 19 december 2012, waarbij het onderzoek wegens gewijzigde samenstelling opnieuw was aangevangen, is het verzoek niet herhaald. Overwegingen — De Hoge Raad grijpt de zaak aan voor een uitvoerige uiteenzetting van de hoofdlijnen van het stelsel inzake het oproepen en horen van getuigen op verzoek van de verdediging, per procesfase. Verdedigingsbelang (r.o. 2.4…