Centrale Raad van Beroep 2017-03-22 — Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Instantie en datum — Centrale Raad van Beroep, 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225, zaaknummer 15/2101 ZW, hoger beroep. Kernvraag — Wat geldt als "zijn arbeid" in de zin van art. 19 ZW bij een ziekmelding tijdens een WW-uitkering, gedaan ten minste vier weken nadat het recht op ziekengeld is beëindigd na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb), zonder tussentijdse werkhervatting? Feiten — Appellant meldde zich op 2 april 2013 ziek als uitzendkracht/inpakker en ontving ziekengeld. Na een EZWb stelde het Uwv bij besluit van 12 maart 2014 vast dat appellant niet langer recht had op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% van zijn vroegere loon kon verdienen in andere functies; voor zijn eigen werk als inpakker werd hij blijvend ongeschikt geacht. Appellant ontving vervolgens een WW-uitkering en meldde zich op 17 juni 2014 opnieuw ziek. Het Uwv verklaarde hem per 17 juli 2014 hersteld voor de functie van perronmedewerker — één van de bij de EZWb geselecteerde functies — en beëindigde het ziekengeld. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank Noord-Holland bevestigde dat besluit. Overwegingen — De Raad stelt voorop dat deze uitspraken geen betrekking hebben op de nawerkingssituatie van art. 46 ZW (r.o. 4.1). Volgens vaste rechtspraak geldt als "zijn arbeid" in de zin van art. 19 ZW in beginsel de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Op die regel bestaat een uitzondering wanneer de verzekerde na het ontvangen van ziekengeld over de maximumtermijn blijv…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken