Raad van State 2022-01-13 — Bestuursrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Samenvatting uitspraak 202107180/1/V3 Kernvraag Staat de weigering van een vreemdeling om een coronatest te ondergaan in de weg aan zijn inbewaringstelling op grond van de Dublinverordening? Overwegingen De vreemdeling stelt dat het vereisen van een PCR-test een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op zijn lichamelijke integriteit (artikel 8 EVRM). De Afdeling verwerpt dit argument: de staatssecretaris dwingt de vreemdeling niet tot de test, en een PCR-test vóór overdracht is noodzakelijk vanuit het oogpunt van pandemiebestrijding. Van een ongerechtvaardigde inbreuk is geen sprake. Door de test te weigeren, komt de vreemdeling zijn plicht niet na om actief mee te werken aan overdracht. Dit komt voor zijn eigen risico. De enkele weigering betekent bovendien niet dat overdracht binnen de termijn van artikel 28, derde lid Dublinverordening onmogelijk is. Die termijn was ten tijde van de rechtbankuitspraak nog niet verstreken, zodat zicht op overdracht niet ontbrak. Beslissing Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank Den Haag (waarbij het beroep ongegrond was verklaard en schadevergoeding was afgewezen) wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.