Standaardarresten in het verbintenissenrecht
Een deel van het verbintenissenrecht staat niet in de wet maar in de rechtspraak. De Hoge Raad heeft in een reeks arresten maatstaven geformuleerd die generaties juristen zijn blijven gebruiken. Wie deze kernarresten kent, herkent sneller onder welk leerstuk een casus valt en welke uitspraak de dragende bron is. Hieronder de belangrijkste, geordend naar onderwerp.
Het ontstaan van verbintenissen
Quint/Te Poel (HR 30 januari 1959) gaf antwoord op de vraag waaruit verbintenissen kunnen ontstaan. Het uitgangspunt is een gesloten stelsel: een verbintenis ontstaat alleen uit een bron die de wet erkent. Maar voor gevallen die de wet niet uitdrukkelijk regelt, moet aansluiting worden gezocht bij wél geregelde gevallen en bij de in de wet besloten beginselen.
De precontractuele fase
Baris/Riezenkamp (HR 15 november 1957) bepaalde dat partijen die met elkaar onderhandelen, daardoor tot een bijzondere rechtsverhouding komen te staan, waarin zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de ander. Het legde de basis voor de precontractuele goede trouw.
Plas/Valburg (HR 18 juni 1982) werkte dit uit voor het afbreken van onderhandelingen, met fasen waarin afbreken steeds minder vrijblijvend wordt. Latere rechtspraak heeft de maatstaf aangescherpt, dus lees dit arrest altijd samen met de recentere lijn. Het citatienetwerk laat zien welke latere uitspraken erop voortbouwen.
De uitleg van overeenkomsten
Haviltex (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) is misschien wel het bekendste civiele arrest. Het bepaalde dat het bij de uitleg van een overeenkomst niet alleen aankomt op de taalkundige betekenis van de woorden, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen, en op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
DSM/Fox (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427) bracht samenhang aan tussen de Haviltex-maatstaf en de meer objectieve CAO-norm: tussen beide bestaat geen tegenstelling maar een vloeiende overgang, en uiteindelijk blijven de omstandigheden van het geval beslissend.
Lundiform/Mexx (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101) verfijnde dit voor commerciële contracten tussen professionele partijen. Bij een uitvoerig contract met een entire agreement clause kan groot gewicht toekomen aan de taalkundige betekenis, maar ook dan blijft de Haviltex-maatstaf de uiteindelijke maatstaf en staat tegenbewijs open.
Onrechtmatige daad en gevaarzetting
Lindenbaum/Cohen (HR 31 januari 1919) verruimde het begrip onrechtmatige daad: onrechtmatig is niet alleen handelen in strijd met een wettelijke plicht of een recht van een ander, maar ook handelen in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.
Kelderluik (HR 5 november 1965) gaf de gezichtspunten waarmee je beoordeelt of gevaarzettend gedrag onrechtmatig is: de mate van waarschijnlijkheid dat iemand niet de nodige oplettendheid betracht, de kans op een ongeval, de ernst van de mogelijke gevolgen, en hoe bezwaarlijk het was om voorzorgsmaatregelen te nemen.
Hoe je deze arresten zelf opzoekt
De kracht van een standaardarrest zit in de bronuitspraak, niet alleen in de latere bevestigingen. Op jurisprudentievinder vind je deze arresten op hun roepnaam terug; zoek bijvoorbeeld op Haviltex, Kelderluik of Plas/Valburg. Een roepnaam en een samenvatting helpen je oriënteren, maar controleer de precieze formulering altijd in de uitspraak zelf voordat je eraan refereert.
Verder lezen
Wil je weten hoe je gericht naar deze en andere uitspraken zoekt, lees dan jurisprudentie zoeken: zo vind je relevante rechtspraak. Werk je nog niet vlot met verwijzingen, dan helpt het ECLI-nummer uitgelegd.