Hoge Raad 2011-12-09 — Civiel recht Civiel recht; Personen- en familierecht
Instantie en datum — Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5211, zaaknummer 10/04474, cassatie. Kernvraag — Heeft het hof zijn taak ingevolge art. 6:97 BW miskend door de vordering tot schadevergoeding af te wijzen op de grond dat de vrouw onvoldoende had gesteld omtrent de hoogte van haar schade, nu tussen partijen geen overeenstemming bestond over de wijze waarop de schade moest worden vastgesteld? Feiten — Partijen hebben enige jaren een affectieve relatie gehad en enkele maanden samengewoond. De vrouw was eigenaar van een Mercedes-Benz CLK 200 K Cabriolet (kentekenbewijs op naam van de man gesteld in mei 2005). Na verbreking van de samenwoning op 28 augustus 2005 heeft de man de auto meegenomen en aan een derde verkocht en geleverd. De vrouw vordert een verklaring voor recht van eigendom en schadevergoeding ter hoogte van de waarde van de auto per medio 2005. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat voor de waardebepaling het tijdstip van de onrechtmatige verkoop als peildatum had te gelden. Vervolgens wees het hof de schadevergoeding af omdat de vrouw onvoldoende had gesteld omtrent de hoogte van haar schade en partijen het niet eens waren over de wijze van schadevaststelling. Overwegingen Onderdeel 1 (peildatum, r.o. 3.4) faalt. De vrouw had haar schade begroot op de waarde "per medio 2005" en had in de feitelijke instanties geen concrete peildatum gesteld. De man had bovendien gesteld de auto medio 2005 te hebben verkocht tegen de waarde per die datum. Het hof heeft…